terug naar www.nykdev.nl     terug naar info prospero


prospero_nyk_de_vries_nederlands_omslag_laag.jpg (131072 bytes)

 

 

 

 

Prospero
fragment hoofdstuk 8

 

In een roes vroeg ik Wikje of ze van shift wilde ruilen en omdat ze akkoord ging kon ik me de volgende ochtend in alle vroegte klaarmaken. Ik smeerde sneetjes Bimbo-brood en stopte ze met een flesje frisdrank in mijn rugtas. Vervolgens verliet ik het kamp. Ik volgde een eind het pad naar het dorp en ging halverwege verder de bergen in. Hoewel het nog vroeg was, stond de zon al weer hoog aan de hemel. Gelukkig viel de hitte in de schaduw iets mee en in een regelmatig tempo klom ik omhoog. Ik luisterde naar mijn eigen ademhaling en langzaam verdween het vreemde onrustige gevoel in mijn maag dat me de hele nacht had beheerst.
Een muur van opgeworpen keien hield me tegen. Ik klauterde erover heen en vond tussen eikenbomen opnieuw een pad. Overal om me heen hoorde ik nu krekels. Zo nu en dan bleef ik staan en keek achterom, met mijn hand boven mijn ogen. In het dal zag ik een oude boerderij. Ergens in de verte hoorde ik het gebrom van een zware automotor. Ik draaide me weg van de wereld beneden mij en hogerop sprong ik over een droogstaande greppel – in het voorjaar waarschijnlijk een brede smeltwaterstroom. Nu was het een droge bedding. Ik ging zitten en haalde uit mijn tas de gesmeerde Bimbo-boterhammen. Hongerig begon ik te eten, kijkend naar de varens en het zonlicht dat met brede stralen door de bomen viel, tot er een luid geklingel klonk. Ik keek om en zag van boven een grote kudde koeien aankomen. Snel sprong ik tussen de bomen, net op tijd voor de beesten die vlak langs me naar beneden denderden.
Hoe hoger ik kwam, hoe meer ik mijn tempo opvoerde. Het zweet stond op mijn voorhoofd en ik had geen idee hoe lang ik al onderweg was. Op een steile helling hielden ranke stammen als pilaren een plafond van takken omhoog. Verderop stond ik onverwacht in de open lucht en keek ik uit over een deel van het dal. Het was een kleurige deken badend in het zonlicht. Rondom stonden eikenboompjes die reikten tot aan mijn knie, kaalgevreten door de koeien, zo veronderstelde ik.
Hogerop veranderde de begroeiing opnieuw en zag ik alleen nog naaldbomen. De stammen ontnamen me het uitzicht en ik vroeg me af hoe ver het nog was naar de top. Het klimmen maakte me een beetje duizelig. Ik hield me vast aan een tak en voelde dat mijn borst nat was van het zweet. Ik nam plaats op een boomstronk en zat een poos met mijn hoofd tussen mijn knieën. Uiteindelijk klom ik verder, met om me heen overal grote rotsblokken. De top kon niet ver meer zijn, maar bij elke stap leek het alsof de berg opnieuw hoger werd. Ik ademde zwaar. Het was zo steil dat ik bijna achterover viel. Toen zag ik een opening. Door de bomen scheen licht en ik was boven.

Tijdens het klimmen had ik me een voorstelling gemaakt van het uitzicht. Ik vermoedde dat achter de top opnieuw een berg was en gedeeltelijk klopte dat. De top was een klein plateau met dor gras en hier en daar een struik. Daarachter was inderdaad weer een berg die verder zicht verhinderde, maar toen ik me omdraaide was het panorama weidser dan ik me had kunnen voorstellen. Het uitzicht was adembenemend, met min of meer recht onder mij, voor een deel zichtbaar, het blauwe water van het stuwmeer. In de verte ontwaarde ik een zwaar bergmassief, met aan de voet een opvallend bouwwerk, geel oplichtend in de zon. Ik nam het grote gebouw in me op en toen plotseling begreep ik het – het was het Escuriaal, het enorme zestiende-eeuwse paleis van Filips II.
Het lag daar als een gouden paleis uit een sprookje, met in het midden een hoge basiliek. Mijn blik zoog zich aan het object vast en ik moest denken aan wat Henry er allemaal over had verteld. Filips had het laten bouwen als klooster in de bergen, waar hij zich als een monnik totaal aan zijn werk kon wijden. Het Escuriaal moest het geestelijk centrum van zijn wereldrijk worden. Alle bestaande kennis moest er worden verzameld, zodat hij alle te maken beslissingen zo secuur mogelijk kon afwegen. Goed beschouwd was hij een controlefreak. Hij mocht geen fouten maken. Hij was de hoogst verantwoordelijke, door God uitverkoren de wereld te regeren.
Henry had zijn armen opgeheven en triest met zijn hoofd geschud. ‘Moet je nagaan,’ had hij gemompeld, ‘wat een leven moet dat zijn geweest – de machtigste man op aarde, in zijn eentje achter dat bureau met al die verantwoordelijkheid. Hij zat volkomen gevangen in zijn erfelijke rol. Hij kon er niet buiten kijken. Op zijn sterfbed had zijn vader hem opgedragen een waardige familiebegraafplaats te maken, een plek waar het hele Spaans-Habsburgse zwikje in bij elkaar kon worden gebracht. Filips had het Escuriaal die functie gegeven. Diep onder de basiliek had hij plaats ingeruimd voor een grafkelder. Al tijdens de bouw was hij met het slepen van de lijken begonnen. Uiteindelijk werd Filips een verzamelaar van familielijkkisten zoals er in de wereldgeschiedenis niet een ander te vinden is. Kun je je dat voorstellen? Dat je hele huis vol staat met rottende stinkende voorouders?’
Ik ging zitten op een rotsblok, nam een slok water en schudde glimlachend mijn hoofd. Telkens weer luisterde ik met veel plezier naar Henry´s verhalen. Helemaal mooi was het wanneer ik ook mijn bijdragen kon leveren. Een paar dagen ervoor hadden we liggend op de pingpongtafel uren gekletst – over al die prachtige historische onderwerpen: over die gekke oude Romeinen; over de machtige kathedralen uit de Middeleeuwen; over de lange achttiende eeuw – volgens mijn oude leermeester Ankersmit het hoogtepunt van geestelijke verfijning. We openden een fles wijn en verloren ons in die prachtige maalstroom van gedachten en associaties.
Het deed me min of meer denken aan hoe ik ooit met mijn vader soortgelijke gesprekken had gehad. Het waren de avonden geweest dat mijn moeder al lang sliep en wij haring aten en pinda’s dopten in de oude houtzagerij. Het ging bijna altijd over vroeger, vaak over de streek en soms even over de dingen van nu – over alles wat er te gebeuren stond, over die vreemde onvoorspelbare toekomst; over al die technische dingen die in de kinderschoenen stonden en die straks, over niet eens zo erg veel jaren, de hele wereld op losse schroeven zouden zetten. Ik vertelde dat het misschien niet eens lang meer zou duren voordat de eerste mens niet meer hoefde te sterven. Het waren de avonden dat hij zich achter zijn oor krabde en zei dat hij ook maar eens ging slapen.

Ik droomde weg en op een ogenblik voelde ik de wind. De zon was verdwenen achter een eenzame verdwaalde wolk en toen ze opnieuw te voorschijn kwam, was het meteen weer bloedheet. Ik keek om me heen en vroeg me af hoe laat het inmiddels was. Met mijn hand boven mijn ogen probeerde ik me te oriënteren. Als het Escuriaal noordelijk lag, dan stond de zon voorbij het zuiden en was het ongeveer twee uur. Als het paleis minder noordelijk lag, dan liep het misschien al wel tegen vijven.
In mijn tas had ik nog één snee Bimbo-brood en een restje frisdrank. Ik keek op tegen de terugreis, maar langer wachten had geen zin. Ik nam het panorama een laatste keer in me op. Toen dook ik over de rand en verdween tussen de bomen. Langs de gladde stenen klauterde ik naar beneden, steeds goed oplettend dat ik niet uitgleed, hoewel ik daardoor de richting uit het oog verloor. Ik dacht dat ik goed zat, maar toen werd ik tegengehouden door grote rotsen. Ik liep terug en voelde hoe mijn T-shirt tegen mijn buik plakte. De stilte was totaal, tot ik in de verte een geluid hoorde. Op hetzelfde moment zag ik voor mij het witte geraamte van een koe liggen, en verderop nog meer botten. Ik hurkte neer en vroeg me af hoe de beesten op deze hoogte terecht waren gekomen. Waren ze verdwaald geraakt? Ik keek voor me uit en besefte toen met een kleine schok dat ze misschien speciaal de afzondering hadden gezocht om hier te sterven.

 

 

 

terug naar www.nykdev.nl    terug naar info prospero


©nykdevries 2007