terug naar www.nykdev.nl
terug naar info prospero

Prospero
fragment hoofdstuk 8
In een roes vroeg ik Wikje of ze van shift wilde ruilen en omdat ze
akkoord ging kon ik me de volgende ochtend in alle vroegte klaarmaken. Ik smeerde sneetjes
Bimbo-brood en stopte ze met een flesje frisdrank in mijn rugtas. Vervolgens verliet ik
het kamp. Ik volgde een eind het pad naar het dorp en ging halverwege verder de bergen in.
Hoewel het nog vroeg was, stond de zon al weer hoog aan de hemel. Gelukkig viel de hitte
in de schaduw iets mee en in een regelmatig tempo klom ik omhoog. Ik luisterde naar mijn
eigen ademhaling en langzaam verdween het vreemde onrustige gevoel in mijn maag dat me de
hele nacht had beheerst.
Een muur van opgeworpen keien hield me tegen. Ik klauterde erover heen en vond tussen
eikenbomen opnieuw een pad. Overal om me heen hoorde ik nu krekels. Zo nu en dan bleef ik
staan en keek achterom, met mijn hand boven mijn ogen. In het dal zag ik een oude
boerderij. Ergens in de verte hoorde ik het gebrom van een zware automotor. Ik draaide me
weg van de wereld beneden mij en hogerop sprong ik over een droogstaande greppel in
het voorjaar waarschijnlijk een brede smeltwaterstroom. Nu was het een droge bedding. Ik
ging zitten en haalde uit mijn tas de gesmeerde Bimbo-boterhammen. Hongerig begon ik te
eten, kijkend naar de varens en het zonlicht dat met brede stralen door de bomen viel, tot
er een luid geklingel klonk. Ik keek om en zag van boven een grote kudde koeien aankomen.
Snel sprong ik tussen de bomen, net op tijd voor de beesten die vlak langs me naar beneden
denderden.
Hoe hoger ik kwam, hoe meer ik mijn tempo opvoerde. Het zweet stond op mijn voorhoofd en
ik had geen idee hoe lang ik al onderweg was. Op een steile helling hielden ranke stammen
als pilaren een plafond van takken omhoog. Verderop stond ik onverwacht in de open lucht
en keek ik uit over een deel van het dal. Het was een kleurige deken badend in het
zonlicht. Rondom stonden eikenboompjes die reikten tot aan mijn knie, kaalgevreten door de
koeien, zo veronderstelde ik.
Hogerop veranderde de begroeiing opnieuw en zag ik alleen nog naaldbomen. De stammen
ontnamen me het uitzicht en ik vroeg me af hoe ver het nog was naar de top. Het klimmen
maakte me een beetje duizelig. Ik hield me vast aan een tak en voelde dat mijn borst nat
was van het zweet. Ik nam plaats op een boomstronk en zat een poos met mijn hoofd tussen
mijn knieën. Uiteindelijk klom ik verder, met om me heen overal grote rotsblokken. De top
kon niet ver meer zijn, maar bij elke stap leek het alsof de berg opnieuw hoger werd. Ik
ademde zwaar. Het was zo steil dat ik bijna achterover viel. Toen zag ik een opening. Door
de bomen scheen licht en ik was boven.
Tijdens het klimmen had ik me een voorstelling gemaakt van het uitzicht. Ik vermoedde dat
achter de top opnieuw een berg was en gedeeltelijk klopte dat. De top was een klein
plateau met dor gras en hier en daar een struik. Daarachter was inderdaad weer een berg
die verder zicht verhinderde, maar toen ik me omdraaide was het panorama weidser dan ik me
had kunnen voorstellen. Het uitzicht was adembenemend, met min of meer recht onder mij,
voor een deel zichtbaar, het blauwe water van het stuwmeer. In de verte ontwaarde ik een
zwaar bergmassief, met aan de voet een opvallend bouwwerk, geel oplichtend in de zon. Ik
nam het grote gebouw in me op en toen plotseling begreep ik het het was het
Escuriaal, het enorme zestiende-eeuwse paleis van Filips II.
Het lag daar als een gouden paleis uit een sprookje, met in het midden een hoge basiliek.
Mijn blik zoog zich aan het object vast en ik moest denken aan wat Henry er allemaal over
had verteld. Filips had het laten bouwen als klooster in de bergen, waar hij zich als een
monnik totaal aan zijn werk kon wijden. Het Escuriaal moest het geestelijk centrum van
zijn wereldrijk worden. Alle bestaande kennis moest er worden verzameld, zodat hij alle te
maken beslissingen zo secuur mogelijk kon afwegen. Goed beschouwd was hij een
controlefreak. Hij mocht geen fouten maken. Hij was de hoogst verantwoordelijke, door God
uitverkoren de wereld te regeren.
Henry had zijn armen opgeheven en triest met zijn hoofd geschud. Moet je
nagaan, had hij gemompeld, wat een leven moet dat zijn geweest de
machtigste man op aarde, in zijn eentje achter dat bureau met al die verantwoordelijkheid.
Hij zat volkomen gevangen in zijn erfelijke rol. Hij kon er niet buiten kijken. Op zijn
sterfbed had zijn vader hem opgedragen een waardige familiebegraafplaats te maken, een
plek waar het hele Spaans-Habsburgse zwikje in bij elkaar kon worden gebracht. Filips had
het Escuriaal die functie gegeven. Diep onder de basiliek had hij plaats ingeruimd voor
een grafkelder. Al tijdens de bouw was hij met het slepen van de lijken begonnen.
Uiteindelijk werd Filips een verzamelaar van familielijkkisten zoals er in de
wereldgeschiedenis niet een ander te vinden is. Kun je je dat voorstellen? Dat je hele
huis vol staat met rottende stinkende voorouders?
Ik ging zitten op een rotsblok, nam een slok water en schudde glimlachend mijn hoofd.
Telkens weer luisterde ik met veel plezier naar Henry´s verhalen. Helemaal mooi was het
wanneer ik ook mijn bijdragen kon leveren. Een paar dagen ervoor hadden we liggend op de
pingpongtafel uren gekletst over al die prachtige historische onderwerpen: over die
gekke oude Romeinen; over de machtige kathedralen uit de Middeleeuwen; over de lange
achttiende eeuw volgens mijn oude leermeester Ankersmit het hoogtepunt van
geestelijke verfijning. We openden een fles wijn en verloren ons in die prachtige
maalstroom van gedachten en associaties.
Het deed me min of meer denken aan hoe ik ooit met mijn vader soortgelijke gesprekken had
gehad. Het waren de avonden geweest dat mijn moeder al lang sliep en wij haring aten en
pindas dopten in de oude houtzagerij. Het ging bijna altijd over vroeger, vaak over
de streek en soms even over de dingen van nu over alles wat er te gebeuren stond,
over die vreemde onvoorspelbare toekomst; over al die technische dingen die in de
kinderschoenen stonden en die straks, over niet eens zo erg veel jaren, de hele wereld op
losse schroeven zouden zetten. Ik vertelde dat het misschien niet eens lang meer zou duren
voordat de eerste mens niet meer hoefde te sterven. Het waren de avonden dat hij zich
achter zijn oor krabde en zei dat hij ook maar eens ging slapen.
Ik droomde weg en op een ogenblik voelde ik de wind. De zon was verdwenen achter een
eenzame verdwaalde wolk en toen ze opnieuw te voorschijn kwam, was het meteen weer
bloedheet. Ik keek om me heen en vroeg me af hoe laat het inmiddels was. Met mijn hand
boven mijn ogen probeerde ik me te oriënteren. Als het Escuriaal noordelijk lag, dan
stond de zon voorbij het zuiden en was het ongeveer twee uur. Als het paleis minder
noordelijk lag, dan liep het misschien al wel tegen vijven.
In mijn tas had ik nog één snee Bimbo-brood en een restje frisdrank. Ik keek op tegen de
terugreis, maar langer wachten had geen zin. Ik nam het panorama een laatste keer in me
op. Toen dook ik over de rand en verdween tussen de bomen. Langs de gladde stenen
klauterde ik naar beneden, steeds goed oplettend dat ik niet uitgleed, hoewel ik daardoor
de richting uit het oog verloor. Ik dacht dat ik goed zat, maar toen werd ik tegengehouden
door grote rotsen. Ik liep terug en voelde hoe mijn T-shirt tegen mijn buik plakte. De
stilte was totaal, tot ik in de verte een geluid hoorde. Op hetzelfde moment zag ik voor
mij het witte geraamte van een koe liggen, en verderop nog meer botten. Ik hurkte neer en
vroeg me af hoe de beesten op deze hoogte terecht waren gekomen. Waren ze verdwaald
geraakt? Ik keek voor me uit en besefte toen met een kleine schok dat ze misschien
speciaal de afzondering hadden gezocht om hier te sterven.
terug naar www.nykdev.nl terug naar info prospero
©nykdevries
2007