home | boeken | agenda | contact

 

 

>>pers over 'Prospero'     nederlands | fries

 

*Een beetje tsjak tsjak, een beetje hier en nu
Abe de Vries, Leeuwarder Courant, 7 april 2006

De verkering is uit en hij heeft niet veel om handen. Zo meldt de 29-jarige Marco Vandaan zich – via 'werk-verdelend buro Argonaut' – voor een baantje in Spanje bij het 'innovatieve baggerproject Prospero'. Nee hŤ, denkt de lezer. Toch niet weer die nikserige eighties-sfeer van verval, jointjes roken en wij weten niet wat we willen? Maar dat valt mee: de tweede roman van Nyk de Vries is niet zomaar te vangen met een etiket.
      Prospero is een verzameling barakken bij een stuwdam aan de voet van de Sierra de Guadarrama boven Madrid. Een aantal studenten, inclusief Marco, bedienen de pompen van de zuigers die over de bodem van het meer gaan. Zo'n setting doet denken aan, jawel, Big Brother: mensen dicht op elkaars lip worden dag en nacht gevolgd in hun onderlinge relaties. Marco heeft oog voor mooie sjaaltjes en is steeds in de weer met zijn uiterlijk; Karen neukt er maar wat op los, net als Peter Poncin: Hans-Koen is de dwarsligger, Henry de geschiedeniskenner, Wikje het onzekere, kwetsbare type, Ruud de baas die het niet waar kan maken – wie vindt iets terug van wie? En wordt dit een vriendengroep?
      De stijl waarin Nyk de Vries het verhaal van Marco en zijn kameraden vertelt, zou men ironisch realisme kunnen noemen, een schrijfwijze die men ook wel een beetje bij Jaap Krol terug vindt. Afstand en detaillering gaan hand in hand en veelal zegt het geschrevene ook iets over de tekst zelf, die op verschillende momenten een verdieping krijgt, een extra laag. 'Met jou is het tenminste een beetje tsjak tsjak, een beetje hier en nu, een beetje communicatie,' zegt Peter tegen Marco, en daarmee zegt hij ook iets over het karakter van dit proza. Met ironie wordt naar de 'echte' wereld verwezen, denk alleen maar aan de naam van het 'werkverdelende buro', Argonaut.
      Nog een laag die De Vries in zijn roman aan heeft gebracht is het wat abstractere commentaar op de eigen tijd. Door het hele verhaal heen duikt zo nu en dan het Escuriaal op, het paleis van Filips II dat tegen de bergen van de Sierra de Guadarrama ligt. De beschrijving die Henry geeft van de absolutistische ketterjager die over zijn wereldrijk probeerde te heersen slaat vermoedelijk ook op de 'moderne mens'. Filips' tijd had iets gemeen met die van ons: 'De zestiende eeuw was de eeuw van de ontdekkingsreizen. De zeeŽn lagen open, de wereld werd groot – misschien onzichtbaar voor verreweg de meeste mensen, maar de consequenties waren al wel voelbaar. Zo nam voor Filips de informatievoorziening enorm toe.' Filips, zegt Henry, ontving dagelijks dertig postzakken, maar wilde alles zelf doen. 'Hij wilde alles beheersen.'
      Tegelijk kunnen deze passages gelden als commentaar op het schrijven zelf en op de positie van de schrijver. Deze dwarsverbanden maken van 'Prospero' een razend interessant boek, dat op een intelligente wijze geŽngageerd is met de technologische maatschappij en de multimediale wereld van tegenwoordig. In die wereld dreigt 'onechtheid': op verschillende momenten geeft De Vries aan dat zijn personages karikaturen zijn van zichzelf, of dat ze leven in een film. Het zijn ook getekende personen, ieder met eigen complexen en problematische familierelaties. Het project 'Prospero' geeft hen een doel en een verloren gevoel van gemeenschap.
       Maar het Gouden Vlies van de Argonauten wordt niet gevonden. De teleurstelling is groot wanneer het baggerproject op niks uitloopt en ieder zijn eigen weg moet gaan. Met 'Prospero' start de nieuwe reeks Fryske Modernen op een indrukwekkende wijze. Chapeau voor dit eigentijdse proza, dat ironisch is, maar de ambitie, de grote greep en de duistere accenten toch niet uit de weg gaat.


(vertaling AV)



*Over levensvragen en watermanagement
Yvonne Dijkstra, Friesch Dagblad, 13 mei 2006

Een muzikant die met zichzelf in de knoop zit, een waterbouwkundig project in Spanje en een bont gezelschap van vakantiegangers: het zijn de ingrediŽnten van de tweede roman van Nyk de Vries (Noardburgum 1971). De Vries debuteerde een paar jaar geleden met Rezineknyn, dat inmiddels in het Nederlands is uitgebracht als Rozijnkonijn. De titel van De Vries' tweede roman, Prospero, is ontleend aan het waterbouwkundig project in de Spaanse hooglanden waar een deel van de roman zich afspeelt. Het vormt het prachtige decor voor een verhaal dat mij zo nu en dan zo meesleepte dat ik me op een moment afvroeg in welke taal ik eigenlijk zat te lezen.
      Het verhaal: een groep van studenten en andere jongeren zijn afgereisd naar Spanje om als vakantiekrachten bij het waterbouwkundig project Prospero aan de slag te gaan. Marco Vandaan, de hoofdpersoon, is een van hen. Zijn leven zit op een dood spoor: carriŤre in de muziek die niet loopt, studie waar hij niks mee doet en relatie net verbroken. Hij stort zich in de groep en gaat helemaal op in het bonte gezelschap. Dit deel van de roman leest als een trein en houdt goed de spanning vast. Dat komt met name door het karakter van Peter Poncin, die een meester is in het tegen elkaar uitspelen van mensen. Zo krijgen we een goed beeld van de groepsdynamiek en wordt ook duidelijk waar sommigen naar op zoek zijn binnen Prospero. Peter Poncin is de motor die het verhaal op gang houdt. Maar ook de andere personages zijn invoelbaar beschreven. Bijvoorbeeld Ruud, de joviale uitvoerder die het zo goed met iedereen voorheeft, maar bij wie steeds alles mislukt, en het pittige meisje Wikje.
      Maar het project waar zoveel van wordt verwacht - een modelproject, innovatief en kleinschalig, bij succes kan het een doorbraak betekenen - loopt leeg als een luchtballon en hetzelfde geldt een beetje voor de roman. Pas tegen het einde van het verhaal wordt het nog weer even spannend, maar daarvoor moet de lezer wel even doorbijten. Dat gevoel komt voor een deel ook omdat er veel losse eindjes overblijven wanneer Prospero ophoudt te bestaan. Niet alleen in het verhaal is het plotseling voorbij, ook romantechnisch is het wat kort door de bocht. Want wat was nou precies de aanleiding voor het vertrek van Hans-Koen, hoe zat het met Peter Poncin, wat betekenden al die gefronste wenkbrauwen en gekke gezichten die in de loop van het verhaal voorbij komen? Ik had daar iets meer uitwerking van verwacht. Je kunt als schrijver niet allemaal vragen oproepen en die dan niet beantwoorden: de lezer zal zich bedonderd voelen.
      Gelukkig maakt Nyk de Vries veel goed, bijvoorbeeld wanneer hij zijn geschiedenisachtergrond inzet. Er loopt een mooie parallelle verhaallijn door de roman over koning Filips die zijn wereldrijk bestuurde vanuit het Escuriaal. Het blijkt dat dat Escuriaal vlak naast Prospero ligt. Een collega van Marco die geschiedenis-'freak' is, verdiept zich in dit verhaal en vertelt daarover aan Marco. Er wordt een beeld geschetst van een eenzame koning die dan wel de macht heeft over een wereldrijk, maar alle verantwoordelijkheden in zijn eentje moet dragen. De parallel wordt expliciet wanneer Marco alleen in een Spaans appartement zit met gesloten vensterluiken: 'Na het eten las ik opnieuw een stukje over Filips en die vreemde tijd die de zestiende eeuw achteraf gezien was geweest - met zijn grote veranderingen en verantwoordelijkheden, voor de meeste mensen natuurlijk onzichtbaar, maar zeker wel aan de gang.' (p. 137) Het komt waarschijnlijk een beetje overeen met de fase waarin Marco zit, het einde van een tijdperk, tijd om verantwoordelijkheid te nemen.
      Nyk de Vries heeft met Prospero een mooie roman afgeleverd, een roman ook die volgens mij net als zijn voorganger in aanmerking komt om te worden vertaald en zo bij een groter publiek terecht te komen.

(vertaling AV)



*Prospero - in simmerskiednis
Jelle van der Meulen, NBD/Biblion, mei 2006

In het beginhoofdstukje van het tweede boek van de Friese schrijver/muzikant Nyk de Vries (1971) loopt hoofdpersoon Marco achteromkijkend, met een gevoel van opluchting weg van een plek, terwijl het begint te regenen. Tegen het eind van het boek loopt hij ook in de regen door de straten van een bijna verlaten Spaans dorpje, eenzaam 'als een hond op zoek naar zijn hok'. Hij vraagt zich af waarom de mensen niet aardig tegen hem zijn en het lijkt, kortom, een en al treurigheid. En dat terwijl Marco, gitarist in een niet al te succesvol bandje, een paar maanden daarvoor de treurigheid in Nederland verlaten had om zich te storten in een wat onduidelijk baggerproject op een afgelegen plek in de Spaanse hooglanden. In een drukkende warmte werkt hij daar met een ploeg mensen bij wie hij zich wel redelijk thuisvoelt, maar met wie hij toch niet echt contact weet te maken. Het leven in deze vrijwel van de buitenwereld geÔsoleerde groep levert uiteraard diverse spanningen op. Net als in zijn vorige boek doet de schrijver niet heel veel moeite om het verhaal spannend te maken door al te dramatische gebeurtenissen en beschrijvingen bijvoorbeeld. Maar dat is in dit geval ook niet nodig, want het verhaal in deze omgeving is broeierig genoeg om voldoende spanning en nieuwsgierigheid op te wekken. Ook de licht ironisch-afstandelijke stijl draagt daar voldoende aan bij. Zo wordt de dramatische gebeurtenis aan het eind bijna gewoontjes en zelfs bijna luchtig beschreven, waarna in een slothoofdstuk nog eens wordt verteld wat de lezer in het korte beginhoofdstukje al voorgeschoteld kreeg. Alleen wordt daar de vraag van toen (waar moet ik heen?) beantwoord (terug naar Nederland). En de lezer vraagt zich met de hoofdpersoon af hoe het met hem verder moet, want veel vooruitzichten zijn er niet. Een beklemmend eind van een verder niet beklemmende maar wel boeiende roman.